359. - Spreekwijzen. De plank misslaan. Van iemand, die iets doet of beweert wat glad verkeerd is, wordt gezegd dat hij de plank geheel en al misslaat. Hoe is men toch aan die vreemde en zonderlinge zegswijze gekomen, daar het hoogst duidelijk is, dat wel de bal, maar niet de plank geslagen wordt, en het dus van zulk eenen persoon moet heeten: hij slaat den bal geheel en al mis? H. W. K. 360. - Pleiziertogtjes rondom de wereld. In het Leeskabinet van 1835 lees ik, dat men in de Engelsche nieuwsbladen eene advertentie heeft geplaatst, volgens welke er te Liverpool een schip in zee zou gaan, hetwelk de reis rondom de wereld zou doen, en waar passagiers, tegen betaling van € 150 of f 1800, zouden worden opgenomen, terwijl, indien de zaak bijval vond, alle zes weken een dergelijk schip zou vertrekken. Men vraagt of er zich liefhebbers genoeg hebben opgedaan, dat de ondernemer het plan kon volvoeren, of dat het misschien bij de eerste reis is gebleven en welligt ook deze niet eens heeft plaats gevonden. H. W. K. 361. - Philemon, zoon van Heraclides in Mad. Wyttenbach's "Banquet de Léontis". Op de lijst der personen, die in het bekende werkje van Mevr. WYTTENBACH, getiteld: Banquet de Léontis, aan het feestmaal deel namen, staat onderanderen:PHILÉMON fils d'HÉRACLIDE, en daarachter: Voyez la Philomathie de THÉAGÈNE (le Prof. WYTTENB.) III, p. 259. Ik sla deze plaats op, in de meening van aldaar den waren persoon, die onder den naam van PHILÉMON ingevoerd wordt, te zullen aangewezen zien. Te vergeefs. Welk verband er tusschen dien PHILÉMON en de plaats in WYTTENBACH'S Philomathia bestaat, blijft mij een raadsel. Schuilt er ook eene fout in de aanhaling? Die daartoe in staat is, helpe mij teregt. J. C. D. 362. - Schilderij van Rembrandt. In den Algem. Konst-en Letterbode van 20 Mei 1842, No. 21, geeft de Heer BODEL NYENHUIS een verslag van het vinden eener schilderij, geteekend R. VAN RIJN 1617, een landschap met een steenen molen voorstellende. Zij was bij het afbreken van een huis te Schiedam, van achter een papieren schoorsteenstuk te voorschijn gekomen. Het verslag eindigt met den wensch dat deze schilderij niet door een Overzeesch vreemdeling veelligt voor altijd aan den vaderlandschen bodem ontvoerd moge worden. Wat is er van dit stuk geworden? J.C.D. 363. - Opdonderen. Dit woord komt voor in den zin van opkomen. "Eergister hier ondert landt vernomen het Enchuyser Galjoot Emloo dat in zee gesteeken was en dierhalver alle dagen staat op te donderen", leest men in het nog gedeeltelijk onuitgegeven Dagverhaal van den Wel Ed. Heer JAN VAN RIEBEECK, Commandeur aan de Kaap de Goede Hoop, 1652-1662. Van waar deze vreemde benaming? LABORANTER. 364.- De Bisschop van Roermond en de Heer van Trieste. WAGENAAR maakt in zijne Vaderl. Hist., Dl. XIX, bl. 221, melding van een' twist tusschen FRANÇOIS LODEWIJK, Bisschop van Roermond en JOAN FRANÇOIS D'EISCHEN, Heer van Trieste, in het ambt van Montfoort, in 1736, welk geschil vrij hoog liep, zoodat de Staten daarin betrokken werden. WAGENAAR zegt echter, dat het gevolg dezer zaak niet te zijner kennis is gekomen. Misschien weet een der Navorschers er meer van, en het zou welligt niet onbelangrijk zijn den uitslag te kennen. 29. 365. Baron Syberg. Onlangs in VAN EFFEN, Hollandsche Spectator, bladerende, viel mijne aandacht op het verhaal van zekere doorluchtige zeldzame en bijkans onbegrijpelijke personaadje, die destijds - October 1732ons land bereisde. Hij was Baron STBERG genaamd, gaf zich zelven den titel van Magus Christianus, en verstond, naar men beweerde, de kunst van goudmaken. Zie Spectator, Dl. IV, bl. 73-75, 249. Is er ook iets meer van dien reiziger bekend, met wien men destijds nog al op scheen te hebben? 366.- Rellstab's Geschiedenis der Convulsionaires. RELLSTAB spreekt in zijn Parijs in 1843, DI. II, bl. 174, van de sekte der Convulsionaires, die in het midden der vorige eeuw te Parijs groot opzien verwekte. Hij zegt jaren geleden de geschiedenis dier sekte behandeld te hebben. Is die niet in het licht verschenen? Kunnen HH. Navorschers mij dan omtrent dit punt niet inlichten? THEODORIK. FESTUS vero calones vocat calceos e ligno factos". Wie der HH. Navorschers kan mij omtrent deze dragt, én wat hare oudheid betreft, én wat haar gebruik bij andere volkeren aanbelangt, inlichting geven? L. D. R. 369. - Sylvain Maréchal. Algemeen bekend is van dezen dichter het volgende couplet, dat gezegd wordt het bekroonde ant-land. Bij de tegenwoordige verbeteringen van woord te zijn op zekere prijsvraag, door een letterkundig genootschap uitgeschreven: Qu' est-ce que Dieu? Loin de rien décider de cet être suprême, Weet ook iemand eenige nadere bijzonderheden aangaande de uitschrijving dezer prijsvraag en dezen dichter? N. C. S. 369.-A. Boon; Schmidt. Wie was A. BOON, die het portret van Mr. W. BILDERDIJK geteekend heeft, hetwelk door J. HULSKAMP in 1786 gegraveerd is? - Van welken SCHMIDT is het portret van BILDERDIJK, in 1790 door MATTHIAS DE SALLIETH gegraveerd en uitgegeven? PRAESENS EST IMPERFECTUM. 374.- Eerste bestrating van wegen in Zeewegen, vooral ook in Zeeland, vraagt men, wanneer en welke wegen in deze provincie het eerst bestraat werden? P. FRET. 379. - Overwinning te Ludiczi. In eene stadsrekening van Leyden, Ao. 1413, leest men: "Doen men die pūcessi dede in ghedenckenesse der Victori te Ludiczi, xiij van den Gerechte, den clerc, ij boden, ij knechts, elc i m wyns, die st(oop) iiij pl. fac. xliiij B. Men vraagt welke veldslag hiermede bedoeld, en waar dat Ludiczi gelegen is. Misschien behoorde er gelezen te worden Victori te Ludic, »zi xiij, enz." (in den zin van: »die 13 van den Gerechte")? .. R. E. .. 380.- Aventroot's "Send brief aen den Koning van Spangien". Men verlangt bijzonderheden omtrent den schrijver, en of er van dezen zendbrief andere uitgaven, ook in vreemde talen, bekend zijn? J. L. A. I. 361. - Emanuel van der Hoeven. EMANUEL VAN DER HOEVEN, agent van den Hertog van Saxen enz., schrijver van het in 1706 te Amsterdam uitgegeven werk, getiteld: Hol lands Aeloude vryheid, buyten het Stadhouderschap, - een boek vol dwaasheden en wanbegrippen, en een toonbeeld der partijdigheid van de Zéloten der Loevensteinsche factie, zegt in het Bericht aan den Leezer, een der oudste Amsterdammers, van 's Moeders zyde, te zijn. Wie was die moeder? C. & A. 382. - Laijeken, Laijken of Leijcken. Aan DE NAVORSCHER wordt, kan 't zijn, beleefdelijk antwoord verzocht op de volgende vraag: Wat beteekenen Laijcken, Laijken of Leijcken, Vegen en Schoeven? De beteekenis van de twee laatste woorden is niet zoo twijfelachtig als die van het eerste; althans verstaat men er heden ten dage nog door: het af snijden of uitrukken en het wegruimen van gewassen in vlieten en watertogten. Op grond van de verbinding, waarin het woord Laijcken met Vegen en Schoeven gewoonlijk voorkomt, willen sommigen aan dat woord de beteekenis van Uitdiepen, Uitbaggeren gehecht hebben, Is die meening gegrond, en zoo neen, wat beteekent dan het woord Laijcken, Laijken of Leijcken? 383. - Wen. In de Keuren van Kennemerland lees ik: dat hem niemandt en vervordere, t zy oude ofte jonge luyden, mitsgaders oock heure kinderen te eysschen ofte halen Wen by de goede luyden huysen, oft oock insgelycks Wen te brengen, soowel aen de vrienden als aen de vreemden, 't elcken reyse op de verbeurte van drie Kennemer ponden, te verbeuren by de gene die sulcx bevonden sal worden gedaen te hebben". Gaarne was ik ingelicht over het gebruik of misbruik, waarvan hier sprake is. H. 384.- N. J. Honigh. In mijn bezit is een portret van D. NICOLAUS JOANNES HONIGH, Consul Flissinganus, in Collegio Ordinum Zeelandiae Questor etc. Obijt 1655. MIEREVELT pinx., WEBBER del., G. VALCK sculpsit, overigens zijn wapen, en het omschrift: »Heureuse vie, n'est sans envie". - Zou men over dezen NICOLAAS JANSZ HONIGH en zijn geslacht, ook eenige inlichtingen kunnen geven? LA RUE, Gelett. Zeeland, vermeldt zijn zoon, JOHAN, Ridder, Schepen en Raad der stad Middelburg. -n 385.- Gilles de Blyde. Deze Chirurgijn, een Fries, te Dockum geboren, woonde in 1588 te Utrecht. Den 3den Febr. 1588 verzocht hij aan de Leydsche Regering om zijne >>Conste van chirurgie alhier te opereren", en in de stad te mogen komen wonen. Aan dit verzoek werd ook voldaan. Men vraagt of er van dien Fries bijzonderheden zijn mede te dee 386. Theophilus Rubema. Weet men eenige bijzonderheden mede te deelen omtrent THEOPHILUS RUBEMA, RUBBEMA Of ROBEMA, een Fries van geboorte, die te Parijs, Rome en Cambridge had gestudeerd, en na gedaan verzoek, op den 3den Nov. 1587 als schoolmeester te Leyden werd aangesteld, om er in het Latijn, Fransch en Nederduitsch te mogen onderwijzen? ..R. E. 387. - Verval der Nederlandsche Zeemagt. MARTINET, van onze zeemagt sprekende, zegt op bl. 561 van zijn Vereenigd Nederland, Amst. 1788. »De Admiraliteiten hebben nooit eene vaste bepaling gemaakt, hoeveel schepen men in zee zou houden in tijden van vrede, soms besloot men er 60, op andere tijden 44, ook wel 96 in gereedheid te houden. Wij hebben er thans minder op den oceaan, maar wij kennen ook een tijd waarin alleen één scheepje van 20 stukken kanon de Hollandsche vlag op zee liet waaijen. Dit is inderdaad verbazend en naauwelijks te begrijpen". Geen werk over het zeewezen bij de hand hebbende, wenschte ik te worden ingelicht, wanneer een zoodanig verval plaats had? 388.-Windhoutzaagmolen van Alb.Sweers. Ik vond ergens dat het Hof van Gelderland in het jaar 1618 aan ALB. SWEERS te Nymegen octrooi verleende tot het zetten van een Windhoutzaagmolen aan de Nieuwe Grift, tusschen, Nymegen en Arnhem, als hebbende hij geïnventeert een nieuwe manyer om holt door wyntmoelens te sagen, sulx hyer te lande noit gepractiseert geweest was. Was dit werkelijk deeerste houtzaagmolen in ons land, of kan men mij nader en beter inlichten dan mijn oude berigtgever? P. N. 389. — Het Hulle-Wulle-Waaitje, is eene plaats in de Overbetuwe, provincie Gelderland, tusschen Kesteren en Lienden. Het landvolk vertelt elkander aldaar allerlei sprookjes, o. a. dat aldaar soms een ijzeren veulen rijdt. Kan iemand den oorsprong van dien naam opsporen, die waarschijnlijk met eenige, niet onbelangrijke volksverhalen of legenden verbonden is? P. N. 390. - Mr. Christophorus Spindler heeft tweemaal, als tolk, met WILLEM BARENTS VAN DER SCHELLING de reis naar het Noorden mede gemaakt. In een getuigschrift, hem door de Staten van Holland op den 9den April 1596, in het latijn gegeven, wordt hij genoemd Mr. CHRISTOPHORUS SPINDLERUS, Rubeanus Carniolanus. Aan de Leydsche Hoogeschool zijne studieën voleindigd hebbende, vermeldt hij zelf in eene nog voorhanden zijnde dissertatie, dat hij deelgenoot van de bedoelde reizen is geweest. Men vraagt eenige bijzonderheden len? ..R. E. over dien Slavoon. .. ELSEVIER. BLAD WIJZER. - A. DeZwarte Man"; de Her- A. (A.&) 't Huis Blikkenburg, 150. - Op de Bommelsche Mutsen- Pieter van den Broek, 233. en van Berk'en, 181. Om een Haverklap", 181. Gysbertus Masius, 179. P. van Ray, J. van Gorcum, 340. 't Groot Hoorns, Enkh., Alkm. Het geslacht van Harencar- A. (C. &) De Kastelein van U- Aa. (A.J.v. d.) Petrus Camper, De Gravin van Kingston, 224. Jan Lobé of Lobbe, 188. - Het wapen der van Oosten's, 159. Togt van Philips, Graaf van De familie Ravensberg, 160. 63. Deken van Ronse, 36. „Loop naar St. Velten", 222. Het geslacht van Wachen- Bewoners van Welna in 1650. Johan van der Wijck, 314. A. (F. J S.) Borstbeeld met eene A. (M.F.) Vertalingen van Juve- AR, Oorspronck van den Raadt van „A horse! a horse! my kingdom Aa. (A. J. v. d.) Petrus Abresch, - 272. Johannes Bollius, 379. - 322. François Caron, 141. Vertalingen van Juvenalis, 304. -Emanuël van der Hoeven, 383. 304, 309. 256. -„Mediis tranquillus in undis", , Aarden Kruik met aangezigt en Aardenburg" (,, Belegering van), 237. Aardewerk (Delftsch), 292. Abbema (Mr. A. S.); Yde of Ido Abels (Focke, Jan, Hans), De Acten (Verlijding van vrijwillige) Adam's val (Voorstelling van eenen Adelaar (Geslachtswapen met), „Adventurer" (,, Religion the Foun- dation of Content" in de), 96. 222. Aelten (Godeschalk), 169, 170. 192. Aerts (Johannes Jacobus), 258. Ajala (Gabriël en Balthazar), 258. Akerlaecken (Berkhout, Maria 31. Alba (Spotschrift op het zwaard Albae, Latijnsche benaming van kregen goud, 357. Alegambe (Philippus), 258. ning), 217. (Werken over de belegering Allatius (Leo) of Leone Allazzi, 54. Allazzi (Leone) of Leo Allatius, 54. ,,Alles is hier vast en veilig", 107. Alliteratie, Geallittereerde woor- Almanak door Petrus Forestus, 326. Als het regent en de zon schijnt Altena's (Verlangde Geslachtwa- Alven" (,, Ons Patroon van), 210. (Czaar Petersen J. C.). Van Amsterdamsche Courant (Vers op Anti-af-chaffer (Een), „Zoo dron- 172. Appel op Appelius (Jan), 188. |