XXVIII. - De Zeeschilder Jan Carel van Beecq. JAN CAREL VAN BEECQ was een Hollandsch zeeschilder, die zich omstreeks 1680 in Frankrijk vestigde, daar lid van de Academie en Peintre du Roi werd, drie schilderijen voor het kasteel van Marly vervaardigde en, naar men zegt, in 1722 stierf. In de gewone hulpbronnen ter nasporing van bijzonderheden aangaande Nederlandsche schilders, wordt VAN BEECQ niet ge noemd; alleen de Dictionnaire des Artistes dont nous avons des estampes (par le Bn. DE HEINECKE) II., p. 316, noemt eenige gravures op, die naar zijne schilderijen zijn vervaardigd, en het Allgemeines Künstlerlexicon (van FüssLI) II., p. 51, heeft die opgave overgenomen zonder eenige bijzonderheid er bij te voegen. Aangenaam zou het zijn, indien over dien zeeschilder, wiens werk zeer verdienstelijk moet geweest zijn, eenige nadere inlichtingen konden worden medegedeeld; b. v. wie zijne ouders waren; waar en wanneer hij geboren is; of hij élève van BACKHUISEN was, en zoo niet, van wien; welke stukken er nog van hem in Nederland of elders aanwezig zijn, en welke de aanleiding is geweest van zijn vertrek naar Frankrijk? XXIX. -11. Duitsche Volkplanters van regeringswege naar Suriname gezonden. Op bl. 131-132 van het eerste deel van een in het jaar 1821 bij de Erven FRANÇOIS BOHN te Haarlem uitgekomen werk, getiteld: Reizen naar Suriname, verblijf aldaar en terugtogt over Noord-America naar Europa, van den Baron ALBERT VON SACK enz. (uit het Hoogduitsch) komt het volgende voor: „Voor eenige jaren wilde de Hollandsche regering te laten ontginnen en bragt eene menigte van Duit- Daar nu van deze proeve tot volkplanting weinig R. H. XXX.- Brieven van Maria Tesselschade Visscher. aan het adres van den Heer Boekhandelaar E. J. BRILL Antwoorden. Lord Goring (I.; bl. 351). Dezen persoon Goejanverwellensluis; Nederlandsche Planetaria in de achtste eeuw (II.; bl. 54). Ik heb den naam van dat gehucht, beroemd in den oorlog van 1672 en om de aanhouding des Princen van Oranje in 1787, altijd zoo gespeld gevonden, en laat aan Prof. VISSCHER alzoo de verdediging zijner spelling van Jan-Goverwellensluis over. Wat nu de Planetaria betreft, in de 8ste eeuw aanwezig, en waarvan door my in mijn Gesch. van N. Nederland gewach is gemaakt, ik beken volmondig ze nooit gezien te hebben en er dus moeilijk een beschrijving van te kunnen geven. Maar EGINHARD spreekt er van in zijn Vita Caroli M. en die kon ze gezien hebben. J. VAN LENNEP. Goejanverwellensluis. Van deze sluis wordt in de Resol. der Staten van Holland van 23 Junij 1598 (bl. 198) gesproken. » Omme te verhoeden", leest men aldaar, de frauden in den impost op de consumptie van den turf, passerende door Goe-Jan-Verwellensluys, daerover de pachters hen beklagen, is by de Heeren Staten geresolveert, dat egeenen turf door Goe-Jan-Verwellensluys by nachte sal passeren moghen, dan alleen by dage, ten eynde den collecteurs [?] van den voornoemden impost aldaer deselve ontfangen magh, na behooren". .. ELSEVIER. Goejanverwellensluis. Vóór ongeveer drie eeuwen schreef men Goey ook Goen Jan Verwellen sluyse. Ik lees onder anderen in eene ongedrukte rekening van de stad Oudewater van het jaar 1573 als volgt: › NIES MUNTERS voor drie tonne biers op te schanse van Goen Ja verwellen sluyse gesonden 6 hg. 9 stv. Die Secretaris BRUYNINCK voor een missyf te scryfven waerby Hopman LEEN bevolen worde inde schanse va Goey Jan verwellen sluyse te legge en hopma MUTER met hondert en 40 ma binnen Oudewater geg: 1hg: 16stv:". In het dagelijksche verkeer zegt men GoverDr. RÖMER. welle. Tabaksverbruiking (II.; bl. 54). Ter beant- 1 Volksliedjes. Daar komt Pauwel Jonas aan"; John Paul Jones (II.; bl. 54). Het liedje van PAUWEL JONAS, dat ik mij uit mijne eerste jeugd zeer goed herinner, ken ik evenmin als C. & A. in zijn geheel, maar wel den oorsprong er van. Het behoort tot den tijd waarin de Amerikaansche vrijheids-oorlog het hevigst woedde en al meer en meer ten voordeele der Amerikanen neigde. Bekend zijn de vernederingen die ons Gemeenebest, door de flaauwhartigheid van het toenmalig bewind, in dat tijdperk, van Engeland heeft moeten ondergaan, en welke honende taal men zich van den Engelschen gezant YORKE liet welgevallen. Daar komt in October 1779 onverwachts in Texel binnenvallen een klein vreemd vlootje, twee Britsche oorlogsfregatten van veertig en twintig stukken met zich voerende, welke het op de Engelsche kusten veroverd heeft. De bevelhebber dezer kleine scheepsmagt was JOHN PAUL JONES, meer algemeen bekend onder den naam van PAUL JONES, een geboren Schot, maar die, zich in Amerika gevestigd hebbende, ijverig medewerkte tot bevrijding van zijn nieuwe vaderland, eerst door zijne aangeborene volkswelsprekendheid, later door zijne stoutmoedige zeetogten in de Noordzee en op de kusten van Groot-Brittannië, waarbij hij door Frankrijk werd ondersteund. De komst van gezegde schepen in onze havens baarde veel opziens in het land en veel bekommering aan ons Bewind, dat aan den eenen kant Engeland niet durfde verstoren, maar aan den anderen kant den handel ontzien moest, die te regt in Amerika's vrijheid eene nieuwe bron van welvaart begroette en daarom die vreesachtige staatkunde hoogelijk misprees. Twee maanden lang duurde deze netelige zaak, waarbij de hartstochten van weerskanten sterk werden opgewekt, en, terwijl de Amerikaansche held Amsterdam en den Haag bezocht, werd hij door de anti-Engelsche partij hoogelijk gevierd en vereerd, en daar die partij zeer groot was, hoorde men, ten spijt van den trotschen YORKE, de jongens langs de straten zingen: Daar komt PAUWEL JONAS aan, Door de bezadigdheid der beide partijen liep de zaak gelukkiger af, dan men had kunnen vermoeden, en den 27sten December verliet PAUL JONES de reê van Texel. Hoe Engeland ons deze bezadigdheid heeft vergolden, hebben de volgende jaren geleerd. Uitvoerig wordt het bovengemelde verhaald in het Vervolg op WAGENAAR, II.; bl. 148 en volgg. PAUL JONES stierf te Parijs in 1792 en ontving er eene statelijke begrafenis (*). SAXO SYLVIUS, Volksliedjes. » Daar komt Pauwel Jonas (Prins Eneas) aan"; John Paul Jones. ACHATES. Ik moet naar boord. Deze duo tusschen ENEAS en zijn vriend ACHATES is een brok uit een oude parodie, in den trant van die van BATHSEBA en andere, misschien nog by verzamelaars van dergelijke kuriositeiten te vinden. Toen nu, na het uitbreken van den opstand in Noord Amerika, men hier te lande in weerwil der traktaten met Engeland, de insurgenten op alle wijzen begunstigde, gebeurde het in 1779 dat onder anderen zekere Amerikaansche kaperkapitein, JOHN PAUL JONES genoemd, met zijn vaartuig en twee onder zijn bevel staande Fransche oorlogschepen, benevens twee door hem veroverde Engelsche fregatten, in Texel binnenviel, en hoewel er door de toenmalige Regeering aan den bevelvoerenden officier op de reede van Texel order gezonden werd, zich zoo min mogelijk met den Amerikaanschen vrijbuiter in te laten, weigerde men echter, de gemaakte prijzen aan Engeland uit te leveren; terwijl aan PAUL JONES zoo te Amsterdam als in den Haag van de zijde der Fransch- en Amerikaansch gezinde burgers een onthaal te beurt viel à la KOSSUTH. Nu werden er over en we (*) Wij verwonderen ons, dat de kundige SAXO SYLVIUS zulk eene voorstelling gegeven heeft van Neêrlands handelwijs jegens Engeland vóór het uitbarsten des oorlogs in 1780. Hoe heeft hem het laakbare spel der winzucht kunnen ontgaan, 't welk toenmaals in Nederland alles dreef, dat zich als trouwbreuk tegen den ouden en natuurlijken bondgenoot kenmerken moest: een trouwbreuk even roekeloos als onregtvaardig, waar, bij de gesteldheid der zaken hier en elders, de heillooze uitkomsten van den krijg met Engeland ligtelijk door een ieder voorspeld konden worden? Hoe kan hij spreken van bezadigdheid ten onzent, kwalijk door Groot-Brittannië vergolden, waar dezerzijds in het heulen met Frankrijk in de hulp aan Amerika bijkans geene terging gespaard werd, maar Engeland, ongezind om met ons in oorlog te komen, eerst na langdurige aarzeling als uitgedaagd tot de vijandelijkheden overging? Ons blijft het onbetwistbaar, dat in deze verblinde staatkunde, allernaauwst gepaard met huldiging der revolutiebegrippen en met vernedering van Oranje, de eerste en jammerlijke oorzaak gezocht moet worden dier ontzettende rampen, die sints dat tijdstip, zonder ophouden, ja in steeds heviger mate, het dierbare Vaperland geteisterd hebben, om eerlang na het verlies zijner welvaart ook den ondergang van zijn staatswezen en de prijsgeving der natie aan vreemde tiranny te weeg te brengen. 148 en In 1792 (. VIUS. (Pris riend die, ere. ike nit a. ten zen Her n, De コ e der liedtjens gemaakt, zoo voor als tegen, en J. VAN LENNEP. [De aanleiding tot het liedje van PAUWEL JONAS ,, Hier komt PAUL JONES aan, en, met uitzondering van het slotcouplet, dus ein- ,, Hadden wij hem hier, Zie hier hoe deze straatzang aanhief en besloot: (1) „Hier komt PAUL JONES aan, (9) Het is zoo'n aardig ventje; Hier komt PAUL JONES aan, En nu nog als een heldje. Wit papier, geel papier, Wit papier, geel papier, Straks komt PAUL JONES hier." Het andere liedje behelst een Samenspraak tusschen den Koning van Engeland en PAUL JONES, in twaalf coupletten, waar beurtelings een dier beide hooge personen sprekende ingevoerd wordt: de Koning vol toorn en dreiging tegen den rebel, maar die alles behalve koninklijk uitende; de kaper, als zich denken laat, braaf pogchende en snorkende, gantsch in den trant van een door 't geluk bekroonden avonturier. Zie hier een paar staaltjes. (1) (2) De Koning van Engeland. Zeg PAUL JONES? Hoe spreekt gij zoo assurant? Ik ben een held op zee Als het 'er komt op aan PAUL JONES. Ik ben PAUL JONES En nog konstant; Van Engeland. (12) Krijg ik u maar op zee, De Koning van Engeland. Bent een gemeen persoon. PAUL JONES. Ik ben de bol van vechten. Op de wijs van het eerste deuntje zong men ook, schrijft de Heer NIEUWENHUIJZEN: „Daar komt JACK de Engelsman". Hij zegt voorts alle deze fraaijigheden gevonden te hebben in deze Volksliedeboekjes: De Opper Admiraal van Holland. Waar in te vinden zijn veel fraaije Oorlogs- en andere Liederen, alle op de tegenswoordige tijds omstandigheid toepasselyk. Nooit te vooren Gedrukt. t'Amsteldam, bij BARENT KOENE, Boekdrukker op de Lindegragt, z. j. in 80. en De ontwaekte Leeuw, of de Hollanse Tuyn, in 8°. (zonder titel).] Volksliedjes. Daar komt Pauwel Jonas (Prins Eneas)aan". Tot dit liedje op den kaperkapitein behooren geenszins de laatste door C. & A.aangehaalde regelen, welketoch niet als eenvoudig variant daarvan aangemerkt kunnen worden. Wij hebben hier een ander deuntje, schoon op dezelfde wijs als het PAUL JONES, 't welk namelijk voorkomt in een, bij velen zeker lang vergeten boekske, betiteld: De vlugt van Eneas of de dood van Dido, Treurspel, in straatliedjes; te Amsterdam by J. HELDING en A. MARS [?], 1785. Met Privilegie. - uit slechts één bedrijf en acht tooneelen bestaande, waar, op blz. 8, ACHATES, vriend van ENEAS, bij 't zien aankomen van dezen, in een wagentje door twee kinderen getrokken, uitroept: ,, Daar komt Prins ENEAS aan, waarop ENEAS tot de kinderen volgen laat: Lustig, jongens, stapt wat aan, Ik moet naar boord." en dan wederACHATES, ENEAS de hand gevende: ,, Welkom, vrind ENEAS! Ik wou dat je al in zee was." deze zingt dan vervolgens op de wijze van: ▸ Al de eendjes zwemmen in 't water": ,,'k Zwom in tranen! wat kan 't baten, Ik moet DIDO toch verlaten, wat ACHATES al zingende beantwoordt. Dan, terwijlENEASnogmaals een lied opdreunt, worden zijn valies, pruikedoos en hoedenkast", in 't schip geborgen; waarna de kinderen met het wagentje vertrekken. Zijne afreis wordt echter gestuit door de onverwachte komst van DIDO, die in haar nachtgewaad haastig aangeloopen, hem een stooters" mes op de borst zet, waarmede zij later zich zelve doorsteekt, na hem, al wederom op de wijs van een ouderwetsch deuntje, in den malschen toon eener echte Amsterdamsche vischvrouw, zijn pligt onder de oogen te hebben gehouden, enz. enz. Uit de bekende plaat van C. TROOST, den dood van DIDO enz. op potsige wijs en in de kostumen van zijn tijd voorstellende, zou men kunnen besluiten dat deze komieke parodie van een treurspel destijds werkelijk ten tooneele is opgevoerd, aangezien vele der toenmalige blij- en kluchtspelen in denzelfden trant door dezen schilder afgebeeld zijn geworden. N** [Deze laatste gissing van N*** is juist. J. M. heeft meermaal een oud habitué des Amsterdamschen Schouwburgs hooren verhalen van een kluchtspel, omtrent het jaar 1790 opgevoerd, Aeneas en Dido, ,,naar 'tschijnt een pot-pourri van parodien op gemeene zangwijzen". - Hij zelf herinnert zich nog duidelijk én de regels: „Daar komt Prins ENEAS aan" enz., én die geheele scène van den gepruikten Trojaanschen held op een kinderwagentje zijn wanhoop lucht gevende in een zee van tranen, wier nutteloosheid hij zich echter niet verbergen wil. N***'s latere meening, hem door een oud vriend bijgebragt, dat PAUL JONES een Hollandsch kapitein zou geweest zijn, die als zoodanig octrooi had tegen de Engelschen, mag wel tot de onhoudbare hypothesen worden gerekend. Maar niet te onpas komt zijne opmerking, dat ook de Fransche Vaudeville te Amsterdam de gedachtenis van onzen zeeschuimer bevorderlijk is geweest, door de vertooning, nog onlangs, van het stukje: Paul Jones, le Corsaire.] Hillegom (II.; bl. 54.) Hil ('t Eng. hill) is heuvel, en gom is'tzelfde als heim ('t Eng.home) plaats, woning. C. & A. make nu zelf de naamsbeteekenis op. ZOROBABEL. [LEGENDO ET SCRIBENDO verwijst over den naamsoorsprong en de geschiedenis van Hillegom (in oude brieven Hillinen genoemd), naar de Tegenwoordige Staat der Nederlanden, D.VI., bl. 334-337, H. V(AN) H(EUSSEN) en V (AN) R(HIJN), Rhynlandsche Oudheden, bl. 662; W. A. BACHIENE, Vaderlandsche Geographie, bl. 599 van het 1ste deel; L. SMIDS, Schatkamer der Nederl. Oudheden, D. II., bl. 129 en een aantal andere Schrijvers.] › Accoord van Putten" (II.; bl. 54). Ik acht het zeer waarschijnlijk, dat deze spreekwijze haren oorsprong te danken heeft aan iemand, die, den naam van VAN PUTTEN dragende, gewoon was in zijne gesprekken vaakmalen den uitroep: accoord" te doen hooren, en dat men alzoo oorspronkelijk gezegd heeft: Accoord zegt VAN PUTTEN. Het laat zich gemakkelijk begrijpen, dat ook vele andere spreekwijzen in dergelijke, door den een' of ander' aangenomen, gewoonte om telkens hetzelfde woord te bezigen, hare haren oorsprong vonden. FREDRIK. J. M. Hillegom. Hille beteekende oudtijds eene verhevene plaats, en Gumme, in het OudSaksisch, een hof. - Volgens SMIDS (Schatkamer), was Hillegom eertijds een hof, waarvan de naam, daar ter plaatse, dan ook tot heden is bewaard gebleven. Wanneer men daarbij in het oog houdt, dat de grond van dat | hemen, Aartshertog van Oostenrijk, enz. enz." dorp vroeger geheel uit binnenduinen bestond, geef ik in bedenking, of de naam niet kan beteekenen: het hooge Hof? - Deze gissing wordt bovendien versterkt door den ouden naam van Rinegom, welke door een hof of kasteel, eertijds aan een der Rijnspranken in Kennemerland gesticht, gedragen werd. ** Titel van Frans II van 1804-1806 (II.; bl.55). Keizer FRANS voerde vóór 1804 dezen titel: » FRANS II, Keizer des Heiligen Roomschen > Rijks, Koning van Hongarijën, Koning van Bo Dat Heilige Roomsche Rijk was het Westersch Romeinsche Keizerrijk, hetwelk in 476 had opgehouden te bestaan, doch door KAREL den Groote, althans voor een goed deel, in 800 weder was opgerigt. Van die heerschappij, sedert langzamerhand ingekrompen, was het Duitsche Rijk een overblijfsel. De maatrege den naams (in oude enarorlige Ondreder eographie, Lumer de en aanta Ik acht ekwijze emand. gende. malen en, en heeft: chge ndere en' of Ikens Drong BIK. 5. Eo -iek jek pi P. De len van NAPOLEON deden Keizer FRANS de Daarstellen (II.; bl. 55). De vraag van P. nen; een (*) Van dat gevoelen zijn ook L. J. en P. E. v. D. Z. lies of eene winst opleveren, geven; - de grondslagen leggen; - een fonds bijeen brengen; eene vereeniging vormen; - een werk samenstellen, enz. enz. -Is het woord daarstellen alzoo niet eigen aan onze taal, zoo is het ook stellig onnoodig het in te voeren, het zou slechts ballast zijn; en wat pleit er nu meer tegen het inheemsche van dit woord dan 't feit, dat alle overige, op dergelijke wijze saamgestelde werkwoorden in 't Hoogduitsch, als: darbieten, darbringen, darlehnen, darsetzen, darstrecken enz.. nog door niemand voor een smakelijk Nederlandsch gerecht zijn opgedischt? G. K. Hz. Daarstellen. Daarstellen voor» stichten, inrichten, oprichten, vormen, vestigen, tot stand brengen, het aanzijn geven", enz. enz. is een verwerpelijk en zeer goed te missen germanisme. Wil P. H. H. Jr. weten, waarom, hy leze onder anderen, wat dienaangaande in het Magazijn van Nederlandsche Taalkunde, Vden Jaargang, No. 4, bl. 267, door den schranderen taalonderzoeker, Dr. H. J. NASSAU, is gezegd geworden. J. VAN LENNEP. De Heilige Lidewijd (II.; bl. 55). Van het leven der Heilige LIDEWIJD zijn mij de volgende uitgaven bekend: Der maghet Liedwij van Scyedam leven ende mirackelen. - Voleyndet ter Goude, in Hollant, tot die Collacie-Broeders. In den Jare ons Heren M.CCCC.XCVI, den tienden dach in Junio. In 4°. Hiervan was een exemplaar in het bezit van I. LE LONG. Voorts: Vita Lydwine, per venerabilem fratrem JOHANNEM BRUGMAN. Sciedamis, 1498.- In 4°. Beide uitgaven worden vermeld in VISSER'S Naamlijst. Eindelijk Het wonderlyck Leven van de eerbaere, devote ende H. Maghet Lydwina. Eerstmael beschreven in de Latijnsche taele door P.JOANNES BRUGHMAN Religieus van de Order der Minne-broeders van S. Franciscus. Nu over-gheset in onse Nederduytsche tale door den E. P. L(UDOVICO) J(ACOBO CORTRACO) Priester der Societeyt Jesu. t' Antwerpen, By de Weduwe en de Erfghenamen van JAN CNOBBAERT, M.DC.LVII. In 8°. De inhoud der uitgave van 1496 is te vinden in » LE LONG'S Beschrijvinge van de Reformatie der Stadt Amsterdam", fol: 370. J. J. NIEUWENHUIJZEN. [Ook N. P. BIBLIOPHILUS en B. G. te G. hebben, op het voetspoor van IS. LE LONG, de zeldzame drukken van 1496 en 1498 beschreven gene met ver melding hoe de titel der laatstgenoemde uitgave, zoo als die bij VISSER (bl. 48) wordt aangeduid, in spelling grootelijks verschilt van dien, welken Prof. vIsSCHER (Beknopte Gesch. der Nederl. Letterkunde, I., bl. 138, in de noot 8) heeft medegedeeld, en even als B. G. - met aanteekening dat BRUGMAN'S werk voorkomt in de Acta Sanctorum der Bollandisten, II.; bl. 270-364. Voorts doet ons N. P. BIBLIOPHILUS weten dat BUDDINGH'; in zijn Mirakel-geloof en Mirakelen in de Nederlanden, bl. 104; wat IS. LE 6 |