صور الصفحة
PDF
النشر الإلكتروني

waarbij de Hooge Raad van Adel het wapen bevestigt door de gemeente gevoerd, voor welk stuk, het zij in het voorbijgaan aangemerkt, zulk slecht papier en nog slechter inkt is gebezigd, dat de meesten, die ik aantrof, reeds half vergaan en onleesbaar geworden waren. Zoo vindt men b. v. op het gemeentehuis te St. Maartensdijk (eiland Tholen) eene verzameling portretten der Heeren en Vrouwen van die plaats, welligt afkomstig uit het voor jaren aldaar afgebroken slot, eertijds de woning van den Graaf van Oostervant, daarna het eigendom der Graven van Buren en van dezen aan de Prinsen van Oranje gekomen.

Toen ik voor een paar jaren in de gelegenheid was die schilderijen te bezigtigen, welke, voor zooverre ik het beoordeelen kan, over het algemeen weinig kunstwaarde hebben, aanschouwde men er onder anderen de levensgroote afbeeldingen van Koning HENDRIK IV van Frankrijk, Prins WILLEM I, MAURITS, FREDRIK HENDRIK, AMALIA VAN SOLMS, WILLEM III en MARIA van Engeland enz. Doch bovenal werd mijne aandacht door een paar kleinere portretten (ongeveer 4 palmen hoog en 3 palmen breed) getrokken, voorstellende FRANK VAN BORSELEN en JACOBA VAN BEIJEREN; die stukken waren kennelijk van zeer hoogen ouderdom en goed bewaard. Onder het wapen van Beyeren op het portret van JACOBA stond: MIT GANSER LIEBE, en aan den voet: VROUWE JACOBA VAN BEIJEREN GRAVINE VAN HOLLAT, sterf 1436 (dit laatste, als ik mij nog wel herinneren kan, minder duidelijk). Dat van F.v.B. droeg onder zijn wapen de spreuk: (V)AN ALLEN VRANCK, en van onderen HEER VRANCK VAN BORSELEN GRAVE VAN OOSTERVANT, sterf A. 1470.

Beide stukken schijnen, zoo als ik zeide, zeer oud, zooals ook uit de letters van de opschriften blijkt, en daar het welligt gelijkende afbeeldsels dier personen zijn, acht ik dit der vermelding niet onwaardig.

Ware het bestuur van St. Maartensdijk in de laatste jaren in handen geweest van min beschaafde personen, dan twijfel ik niet of reeds lang zouden al deze stukken op de eene of andere wijs zijn opgeruimd en verloren geraakt.

Mij is bijna geen dorp bekend waar men niets hoegenaamd aantreft; dikwijls zijn het schilderijen of teekeningen der plaats zelve, of van het kasteel dat daar eertijds stond, o.a. te Dreischor, St. Annaland, Arnemuiden enz. Soms ook van vreemde dieren, daar gevangen of aangespoeld, of zelfs van buitengewoon groote vruchten, daar voor een paar eeuwen gegroeid, meest altijd met bijschriften, soms in dichtmaat, voorzien. Zoo zijn op vele plaatsen, o. a. te Brouwershaven en ik meen ook te Oud-Vossemeer, nog volledige pijnbanken bewaard gebleven; zoo heeft men daar

[blocks in formation]

Begraafplaats van Jan Alman te Vlissingen. Toen ik onlangs te Vlissingen was, trok het volgende opschrift op eene grafzerk, staande tegen den muur aan de linkerzijde van het kleine orgel in de groote of St. Jacobskerk aldaar, mijne aandacht: ik vond het nergens vermeld, en deel het met eenige opheldering mede:

HIER LIGT BEGRAAVEN
JAN ALMAN
DIE DEN 6 APRIL 1572

TE VLISSINGEN TER AAN
SPOORING ZYNER MEDE
BURGEREN EEN TOEVAL
LIG MIDDEL IN GODS HAND
IS GEWEEST TOT WEERING
VAN SPAANSCHE INQUISITIE
EN BYGELOOVE

EN TOT INVOERING VAN
DEN WAAREN GODSDIENST.

Bij de afwerping van het Spaansche juk te Vlissingen, op den 6den April 1572, kwam JAN ALMAN, een aanzienlijk en algemeen geacht burger, uit de kerk; een Spaansch fourier gaf hem eenen slag; ALMAN, zich daardoor diep gegriefd voelende, liep naar huis om zijn rapier, en weldra werd de màre, dat ALMAN zich ging wapenen, verwisseld met de kreet: Alleman ga zich wapenen, en de opgewondene menigte vloog uiteen, om ALMAN'S voorbeeld te volgen (Zie Dr. E. B. SWALUË, de daden der Zeeuwen enz. bl. 17. CORVINWIERSBITZKY, De Tachtigjarige Oorlog, Dl. I, bl.604). 's GRAVEZANDE, Tweede Eeuw-gedachtenis der Middelburgsche Vrijheid, deelt bl. 166 dezelfde bijzonderheid mede, en voegt er, bl. 491 van dat zelfde werk, Aanteekening XL, nog eenige berigten over den naam en 't geslacht ALMAN bij.

LEGENDO ET SCRIBENDO.

[blocks in formation]

De Koopvaardij ons heeft verlaten;
Is dus geen koopenschap in 't land,
Zij is in 't prentje van de Krant.
Waarom is 't wapen scheef gelegen?

Wel man! 't gaat all' langs scheve wegen;
Al siert een kroon de wapenkruin,
't Gaat met de landzaat bijster schuin.
Dus is met grond het oude wapen,
In een toepass'lijk nieuw herschapen.

Men zou gaarne weten of dit spotversje vroeger gedrukt en wie er de maker van is? Het besproken vignet is welligt nog ter Amsterdamsche Courantdrukkerij aanwezig. A. D. S.

II. Weêrwijsheid. Het zoude wel de pijne waard zijn de weêrvoorspellingen bijeen te zamelen, die in den mond onzes volks leven. Ziet hier een proefje :

Een maandagsche maan is een wilde maan. Immers die groote weêrkenners, de boeren, verze

keren dat, wanneer de nieuwe maan op een' Maandag invalt, er altijd winderig en wild weêr uit geboren

wordt. Zoo heeten zij de wolken die, bij N. O. wind, in het Z. W. opkomen, zeer eigenaardig:,, kost voor den N. O. wind". Ook hebben zij eene weêrpoëzy; om iets te noemen :

[merged small][merged small][ocr errors][ocr errors][merged small][merged small]

III.

---

Maandelijksche Berichten uit de andere waerelt; of de spreekende dooden, bestaande in Redeneeringen,tusschen allerhande verstorvene Potentaten en Personagien van Rang: zoo van den Deegen, Tabbaart, Letteren, als anders. Doormengt met Staatkundige en Historische aanmerkingen, de kern der geheimste zaken en byzonderste voorvallen in de voornaamste Hoven van Europa. Zoo luidt de titel van een werk, dat uit 100 deelen in 8o, bestaat, en vijftig jaren lang onafgebroken werd voortgezet. Elk jaar (van 1721-1771)| kwamen er twee deelen van uit, in maandelijksche afleveringen, elke aflevering voorzien van eene plaat, eerst bij NICOLAAS TEN HOORN, Boekverkooper te Amsterdam, en vervolgens bij onderscheidene andere

Amsterdamsche Boekhandelaars, zoo als RATELBAND, HOFFMAN, G. DE GROOT en andere. Het werk be helst een groot aantal van anekdoten, op wier kieschheid doorgaans zeer veel valt afte dingen; het heeft voor den geschiedkundigen navorscher, daar er nooit bronnen in worden aangehaald, geene of zeer weinige waarde. Toch wenschte ik wel eens te weten, of de auteur of auteurs van dat werk bekend zijn en of het dikwijls kompleet voorkomt? J. R. EYLERS KOCH (*).

IV. Presentexemplaar van Cats' werken door hem aan Barthol. van Rentherchem vereerd. Gedurende eenige jaren ben ik bezitter van een' CATS (uitgave van JAN JACOBSZ. SCHIPPER, Anno 1658), waarin op een der voorste bladen, en wel op de keerzijde van het vers: Siet, Vaders, hier een kleyn geschenck, Dat u (als ick het recht bedenck)

Of inder daet, of na den schyn,

Misschien mocht vreemt, of seltsaem syn. enz. een handschrift van den Dichter wordt gevonden, van den volgenden inhoud:

Venerando et Eximio Viro D. D. BARTHOLOMEO A RENTHERCHEM Verbi Divini in Hagiensi Ecclesiá Germanorum, Administro Grati animi et benevolentiæ testandæ ergó Librum

hunc do, dico, addico.

CATS.

Datum in Cure-fugio meo ipso die Nativitatis meæ, nimirum 10mo die mensis Novembris, anno 1658vo Quo, Dei Opt. Max: singulari beneficio, unum supra octuaginta annos

numero.

Die uitgave met dat handschrift, hetwelk alle kenteekenen van echtheid draagt, is mij bezorgd gewor den door den Heer w. VAN BOEKEREN, Bockverkooper te Groningen, die haar op een auctie in Duitschland had gekocht. Ik ben nu zoo vrij twee vragen te doen, waarop ik gaarne een antwoord zou ontvangen. 10. Zijn er hier of daar,in de boek verzamelingen der liefhebbers, nog meer soortgelijke exemplaren (het mijne is zeer net gebonden in bruin lederen band, rijkelijk met goud op den rug) met soortgelijk hand

schrift? 20. Heeft WITSEN GEYSBEEK gelijk, wanneer hij in zijn Woordenboek der Nederl. Dichters zegt,

sub voce CATS, dat de Dichter omtrent twee jaren voor zijn' dood, de Haagsche Predikanten op een' deftigen maaltijd onthalende,,, ieder hunner een net gebonden exemplaar vereerde van zijn toen pas uitgekomen Ouderdom en Buytenleven?" Moet dit niet zijn, dat hij hun al zijne werken, zoo als die in dat jaar (1658) bij SCHIPPER waren uitgekomen, present deed?

J. R. EYLERS KOCH.

V. — Zinnebeeldige schilderij uit Holland afkomstig. Welk lezer van de NOTES AND QUERIES kan mij inlichten omtrent een merkwaardig Hollandsch schilderstuk, het eigendom eens vriends en onlangs aan mijne zorg toevertrouwd? Wat de schildering betreft is het niet onverdienstelijk en, daar het eenige historische of zinnebeeldige (zoo niet satirieke) bedoeling schijnt te hebben, komt het mij als vermoedelijk voor dat het in de Nederlanden wel bekend mag zijn.

Het vertoont een groot vertrek, in welks linker hoek de beschouwer staat, zoodat hij het volle gezigt heeft op den tegenovergestelden muur en het afgele

(*) De Heer J. R. EYLERS KOCH zal ons vergeving schenken voor het onwillekeurig uitstel, door zijne vraagartikelen ervaren, wanneer hij onze verzekering wil aannemen, dat alles, wat hij ons gezonden heeft, geschreven is op één vel papier, dat, ook antwoorden bevattende, tusschen gebruikte copij van het vorige jaar weder is opgedolven.

Aanm, van het Bestuur,

gene eind van de kamer; de genoemde linker zij wordt door een breed en hoog venster beslagen, waarvan vier afdeelingen in perspectief zigtbaar zijn. De muur aan het eind van de zaal bevat den haard, waarin een helder vuur brandt; de binnenkanten van den schouw zijn met Hollandsche tegels bedekt en boven den schoorsteenmantel is eene schilderij (moetende, naar ik meen, de Christelijke Liefde verbeelden), waarop eene vrouw in witte kleederen, een naakt kind op haar linker arm dragende. Aan haar regter hand staat een ander kind en aan haar linker zie ik er nog twee, die elkaêr omhelzen. Onder deze afbeelding is het volgende opschrift:

[ocr errors]

Waert dat elck docht op

CHRISTIJ laeste sentensije
Daer hij der liefden wercken
Alleen maeckt mensije

En hoe de barmhertighe sijn
Rijck sullen ontfaen

Ick soude in het hert

En niet voor de schouwe staen."

Boven dit tafereel bevindt zich, horizontaal over de geheele breedte van de kamer loopende, een vlaggestok, waarom een groote driekleurige vlag is heengewikkeld, rood, wit en blaauw. Aan iedere zijde van de schilderij, hoog op in den muur, is eene nis; die aan de linker bevat een beeld met de regter hand uitgestrekt, waarin een rol; met de linker houdt het den caduceus van MERCURIUS omklemd. De beeldtenis wordt onderaan als RETORICA beschreven.

In de andere nis merkt men een beeld op, eveneens door een opschrift, als BACCHUS aangeduid, een' SILENUS Voorstellende, schrijelings op een ton, en een beker met wijn leeg drinkende.

Onder RETORICA is eene glazen kast, waarin, op twee planken, zilveren en gouden bekers, drinkkannen en schotels staan; beneden deze hangt een wit papier met de volgende woorden:

,,Vrage.

Bij wie is liefd' int woort

En nochtans wort verschouen?"

Onder BACCHUS zijn, in eene dergelijke kast, van welke de glazen deur gedeeltelijk open is, drie planken vol met boeken, naar den ouden trant gerangschikt, zoodat hun ruggen binnenwaarts liggen. Daar beneden is eene lijst inhoudende op een witten grond het

,,Antwoort.

[merged small][ocr errors][merged small][merged small][merged small][ocr errors][merged small][merged small]
[merged small][ocr errors][merged small][merged small][ocr errors][merged small]

Het geslotene boekdeel draagt op het naar boven gekeerde bord een' titel, van welken mij echter slechts de woorden,, Ondecking der" leesbaar zijn.

Aan de regterzij van de laatst beschrevene figuur zien wij, onder het raam, eene tafel, op welker het meest van den toeschouwer verwijderde gedeelte een boek in folio overeinde staat, terwijl een ander boek van kleiner formaat er plat boven op ligt, met een opschrift op den kant, dat ik niet kan uitmaken.

Regts van die tafel en even hoog als deze vind ik een zeer groote, naar het schijnt van hout vervaardigde, kan, met koperen deksel, handvatsel en hoepels. Meer afgelegen, doch aan den regter kant van den beschouwer, is een groot ondiep koperen vat, waarin twee groote witte pullen met zilveren deksels; daaroverheen bukt een persoon in sergie, waarschijnlijk een knecht, in zijn linker hand een tinnen tuitkan vasthoudende, waaruit hij bezig is water te schenken in het koperen vat; in de andere hand heeft hij een lang, naauw toeloopend wijnglas. Verder dan hij, zit, in het midden van de kamer, een zwarte en witte patrijshond met de achterste poot het regter oor krabbende.

Tegen den muur aan de regter zij van de kamer zijn, hoog in de lucht, drie schilderijen met eikenhouten lijsten. Dat, hetwelk het digst naar den haard hangt, is ovaal en stelt de kruisiging voor. Aan den voet van het kruis bevindt zich een witte strook met bijna uitgewischte woorden. De middelste schilderij is ruitvormig en verbeeldt, mijns bedunkens, JOHANNES den Dooper predikende met de regter hand opgeheven en in de linker een wit wimpeltje voerende. Er loopt een witte reep langs de schilderij, woorden bevattende, die ik niet ontcyferen kan. De lijst is zeer uitgewerkt. Bovenaan zit een vrouwelijk wezen vermoedelijk eene voorstelling der Liefde met een kind op de linker knie en een aan weerskanten. Zij draagt in de regter hand een vlammend hart. Op de regter en linker lijst beiden is een beeld, en lager ziet men, aan iedere zij, groote witte en blaauwe druiventrossen. Het beeld, naast aan den haard, is eene vrouwelijke gedaante, in zittende houding en met een rood gewaad; haar linker hand torscht een open boek en de andere eenen bol met een kruis in top. Boven haar hoofd is, aan den muur,een wapenschild met roode

--

(*) Op de schilderij staat oogenschijnlijk vier.

-

linten vastgehecht, waarop een bladerlooze boom van zilver op een lazuren veld. Het andere beeld is dat van eenen man, in zittende postuur, met een blaauw kleed en een rooden gordel; zijn regter hand draagt een papegaai en op de linker is (indien ik wel gezien heb) een andere vogel gezeten, maar of het een valk of een ander slag van papegaai is, kan ik niet zeggen. Boven 't hoofd van deze figuur hangt tegen den wand een schild, gelijkvormig aan het zoo pas beschrevene, doch waarvan het blazoen is: een zwaard, natuurlijk van kleur, op een veld van keel, tusschen vier sterren, waarboven een kruis, van goud.

De laatste schilderij is, even als de eerste, ovaal en vertoont twee gedaanten, waarvan de eene oogenschijnlijk den Verlosser moet verbeelden, zijn kruis dragende en de hand gevende aan eene vrouw, uitgedoscht in rood en wit. Onder hunne voeten is een bloempot met een tuiltje witte lelieën en boven hunne hoofden is een stralenkrans met den heiligen naam m. Eene strook loopt langs de schilderij en voert de woorden In liefd getrouen.

Onder deze schilderijen is, de geheele lengte van de kamer beslaande, een zwarte rol, van welke een groot wit vel afhangt, opgezet als eene kaart, en zoo ingerigt dat het naar willekeur opgerold kan worden. Men leest er het volgende op:

[ocr errors][merged small][merged small][merged small][merged small][merged small]
[ocr errors]

Door der druiven soetheijt rapen wij solaes”.

Een lange met groen laken bedekte tafel staat tegen dezen wand aan, de gansche lengte van de zaal door. Aan den kant, die het digst bij den toeschouwer en bij den haard is, zit een persoon in een rood wambuis met insnijdingen, terwijl een grijze mantel op zijn stoel nedervalt en zijne pijp met een lang en vol wijnglas naast hem op de tafel zijn geplaatst. In de regter hand heeft hij eene handschoen en zijn hoed is grijs met een roode band. Aan zijnen voet is een schild, met dit opschrift:

„P[?...]kan (*) ick vlie
Maer hoort eens wie
Hier spreeckt als preste
Dwaes sulex geschie
Soo ter recht sie
Ist uijt van feste".

Er is eenige ruimte tusschen deze figuur en zijn naasten buurman, en in die opene plaats bevindt zich eene violoncel, tegen de tafel aanleunende. Maar die

(*) Zeer onduidelijk op de schilderij. Ik lees er uit: pirkhan, pirchen, of piroehan [welligt is het Bierkan?] en, in den volgenden regel, Moer voor Maer. J.H.T.

volgende gedaante heeft den rug geheel naar ons toegekeerd. Het is blijkbaar een Roomsch geestelijke, welligt een Jesuiet, gedekt met de vierkante muts. Een lange paternoster met een kruis hangt van zijn midden. Onder zijn' stoel ligt een groot folio werk, betiteld Consilium van Trente.

Zijne regter hand en arm zijn uitgestrekt als of hij in woordenwisseling ware met een zijner overburen. Een roode en witte patrijshond in zittende houding schijnt onder zijn stoel te sluimeren. Nevens den priester staat aan het eind van de tafel een wezen, als ware het CALVYN, met zwarte muts en pelsrok. Onder zijn linker arm draagt hij een boek en van zijne linker hand hangt een schildje, waarop de volgende woorden: ,,O uijt (*) veel maar een Van eeuwighteen Is uyt verkooren Wie tegens reen Hier toe seijt neen Is niet herbooren".

Dit beeld strekt zijne regter hand uit en spreekt klaarblijkelijk met zijn nevenman, die aan het eind van de tafel is gezeten met den rug naar den muur en een groot bock geopend voor zich. Deze persoon luistert aandachtig met ongedekten hoofde naar de Calvijngelijke figuur. Hij heeft eene met bont gezoomde toga om en eene halskraag om den nek.

Aan zijne regter zit een vrolijke gast, met een zwarte muts, op de guitaar te spelen en bekreunt zich blijkbaar om niets van wat er om hem heen voorvalt. Zijn naaste buurman evenwel, een deftig godsdienstleeraar, komt mij voor in gesprek te zijn met den reeds vermelden Roomschen geestelijke, die aan de tegenovergestelde zijde van de tafel is geplaatst. Deze eerwaarde personaadje heeft een boek open voor zich liggen en is gekleed als een Engelsch Evangeliedienaar in de zeventiende eeuw, met baard en kalotje.

Twee andere personen, aan de tafel tegen den wand gezeten, maken het gezelschap, dat wij te beschrijven hebben, volledig. Zij voeren een afzonderlijk onderhoud. Een hunner is ongetwijfeld een wereldlijk persoon met een pluim in zijne muts, eene halskraag om zijn nek, en voorts regt lustigen dosch: evenwel spreekt hij ernstig met zijn buurman en een gesloten boek is naast hem op de tafel. De andere, die naderbij den haard en aan het uiteinde van de tafel zit, is in het zwart met een zwarten hoed en heeft een boek open voor zich, waarop hij zich onder 't redeneren te beroepen schijnt. Alle de besprokene beelden zien er uit alsof het portretten waren.

Ik ben zeer bevreesd dat deze beschrijving der schilderij te lang zal wezen ter inlassching in de,,NOTES AND QUERIES". Maar zoo gij er eene plaats voor inruimt, lijdt het bij mij geen twijfel of sommige van uwe Hollandsche berigtgevers zullen in staat zijn mij een antwoord te zenden op mijne vraag: Wat is de geschiedenis en de bedoeling van dit schilderstuk?

Ik heb hier nog alleen bij te voegen dat de Hollandsche opschriften ontcyferd en voor mij overgenomen zijn door een geleerden vriend.

JAMES H. TODD.

NOTES AND QUERIES, vol. VI.; p. 457–459.

VI. - Geslachtregisters door George Sijen. In het Geslacht- en Wapenboek of in de Brieven van G. VAN RIJCKHUIJSEN,Stads-bode te Leyden wordt (luidens het 4de deel, bl.465, van het Verbond der Edelen door J. w. TE WATER) gewag gemaakt van,, ,de genealogien der voornaamste geslachten in de zeventien Nederlandsche provincien, in dertig deelen bevat, en opgesteld door GEORGE SIJEN, vader van den Leydschen hoogleeraar

(*) Dit is de waarschijnlijkste lezing. Er staat O tijt of Olyt. J. H. T.

[blocks in formation]

VIII. De kanonniks-kapittelen in deze landen gedurende den Grafelijken tijd. Bij de meeste Hoofd-en Parochie-kerken in de grootste steden dezer gewesten werden al vroegtijdig collegien of capittels van kanonniken gevoegd, eensdeels om den luister der geestelijkheid te verhoogen, anderdeels welligt om der wereldlijke magt tot sterker tegenwigt te zijn. Het is bekend, dat die kanonniken alsdan vele voorregten en vrijdommen genoten, dat hunne collatie meestal voor de helft aan de kerk en voor de helft aan de stedelijke regeringen toekwam en dat zij, tuk op hunne regten, dikwijls in hevige botsing geraakten met den staat. Echter zijn hunne verpligtingen en verhouding tot de collegiale kerk, waarbij zij behoorden, minder juist bekend, evenmin als de inrigting der kapittels zelven, de bezigheden der kanonniken enz. Ik meen mij te herinneren, dat MATHAEUS heeft geschreven de collegiis canonicorum, doch waar komt dat voor? In zijne Veteris Aevi Analecta, of is het een afzonderlijk werk? Waar kan men er meer van te weten komen? welke boeken of schrijvers moeten over dit onderwerp, bepaaldelijk met betrekking tot de Nederlanden, worden geraadpleegd?

IX..

[ocr errors]

J. H. DE ST.

Nederlandsche spot- en scheldnamen. Dat in Nederland een aantal Spot- of Scheldnamen in zwang zijn geweest of nog zijn, is niet te betwijfelen; men heeft die zoowel van partijen, als afzonderlijke plaatsen; men denke aan de Schieringers en Vetkoopers, in Friesland; de Hoekschen en Kabbeljaauwen in Holland en Zeeland; de Beckerlingers en Coptiters, of ook Becquerdijnen en Karolijnen geheeten, in Noord-Braband; de Keezen en Patriotten; voorts aan de Kalfschieters van Delft, Kielschieters van Rotterdam, Schapendieven van Dordrecht, Kroostspitters van Zeeland, Blaauwvingers van Zwolle, Koolhazen van Lochem, Steurvangers van Kampen, Booneneters van Groningen, Koeidieven van Termunten (Prov. Groningen), Vleescheters van Driel (Overbetuwe), Apenluijers van IJsselstein, Beeren

[blocks in formation]

X.- Blaak, heidebrand of veendamp. In sommige streken van het vaderland, ook in Gelderland, bijzonderlijk het zuidelijke gedeelte, ontwaart men in het vroegjaar, des avonds, na heldere en warme dagen en wanneer men onweder zoude verwachten, in plaats daarvan eenen uit het Noorden opkomenden, stinkenden damp, bekend onder den naam van blaak, heidebrand of veendamp, dien men gemeenlijk aan het verbranden van heidevelden op de Veluwe ter boekweitzaaijing toeschrijft, terwijl anderen het voor een natuurverschijnsel houden, 'twelk zijn' oorsprong in electriciteit heeft. Vreemd is het dat daar nimmer onweders bij vallen of regens op volgen, als ware de heîverbrander altijd zeker van het weêr, zonder ooit zich daarin mis te vatten.

Nu wenschte men wel te weten welke bewijsgronden voor het eene en welke voor het andere gevoelen pleiten, te meer nu men die dampen dit jaar ook later, ja zelfs in Augustus ontwaard heeft, als wanneer toch niet meer aan het zaaijen van boekweit te denken valt? J. V. Elst, 4 Sept. 1852.

[graphic]
[ocr errors]

XI. Bouwer's Huisjes te Deventer; Anthony Bouwer Gerritzn. Volgens eene oude aanteekening bij mij berustende zouden te Deventer, in of bij de Wijde steeg, op de Hout-of Bloemmarkt zuidzijde, drie huisjes staan, bekend onder den naam van: "Bouwer's Huisjes."

In het midden van hunnen voorgevel zou dan ook het wapen der BOUWER's geplaatst zijn. - Van dezen spreekt DUMBAR in zijn Kerkel. en Wereldlijk Deventer, 1ste boek, 11de Hoofdstuk, Lijst van Schepenen en Raeden enz. anno 1666 en verder.

Zou nu een of ander Navorscherte Deventer wel eens willen nazien:

1o. Of die huisjes nog bestaan; het wapen nog in den gevel is, en zou hij er wel eenige beschrijving van gelieven te geven?

20. Ofin eenig werk over Deventers stichtingen ook van die stichting wordt gesproken? Waarbij tot narigt nog dient opgemerkt, dat zij vermoedelijk van geen klooster of diergelijke kerkelijke inrigting zal kunnen afkomstig zijn.

Van den ook door DUMBAR genoemden ANTHONY (GERRITZN.) BOUWER is nog aanwezig een cachet met zilveren ketting en ring, en rondom het wapen zijn' naam voluit.

Zou deze als Burgemeester van Deventer daarmede hebben gezegeld? B. T. U.

XII. De Heilige Luderus. Op de munten der Heeren van Batenburg komen twee heiligen voor: De Heilige VICTOR (een krijgsman - martelaar, genoegzaam bekend) en de Heilige LUDERUS. Deze wordt afgebeeld met kroon, schepter en zwaard.

Mannen in de kerkelijke geschiedenis doorkneed (zoo Katholyke als Protestantsche geleerden), zijn niet in staat mij den Heiligen LUDERUS aan te wijzen. Wie kan mij deze dienst doen? Ik heb die aanwijzing noodig voor mijn ter perse zijnde Deel: De Munten der Heeren (Dynasten) en Steden van Gelderland.

P. O. VAN DER CHIJS.

XIII. Wollebrandt Geleynsz. de Jonghe. Mijne vraag naar berigten aangaande WOLLEBRANDT GELEYNSZ. DE JONGHE (II; bl. 215.) nog geenerlei an:woord uitgelokt hebbende, zoo wil ik HH. Navorschers berigten, dat van hem het een en ander te vinden is in TAVERNIER, Gedrag der Hollanders in Indië,

« السابقةمتابعة »